Het Betuws Dialect

Omdat het Betuws dialect zeer in de belangstelling staat, hebben we hiervoor op deze site ook een plaats ingeruimd. We hopen, dat we op hetgeen we hier gaan vermelden de nodige reacties zullen krijgen.
Opgemerkt dient te worden, dat van plaats tot plaats er verschillen zijn, maar dat de uitspraak van het dialect in de Over-Betuwe en in de Neder-Betuwe nogal verschillend is.

Bijdrage aan deze rubriek worden zeer op prijs gesteld.
U kunt uw aparte woorden of zinnen sturen naar info@hkko.nl.

 

Literatuur:

  • Hoe schrijf ik mijn dialect. uitgave Acco Leuven / Amersfoort
  • Bètuws huukske. diverse afleveringen in het weekblad De Betuwe “bijmekaor gegroebeld deur” Thijs van Woerkom
  • Hoe zedde gij dâ. Dialectwoordenboek van de Neder-Betuwe. J. van den Hatert en A. Datema uitgave Arend Datema Instituut Kesteren

Woord/zin verklaringen

(NB) = Nederbetuws)
(OB) = Overbetuws

‘k Zij dol in de kop
Ik ben duizelig
Blet
Veeg ’t mâr effe op met stoffer en blèt. Veeg het maar eventjes op met stoffer en blik.
WNT: Bijvorm van blad; bij Vercoullie wordt ook vr. bledde vermeld.
MNL: Door klankwijziging ontstane bijvorm van blat, die ook nu nog in dial. gehoord wordt, b.v. in een bled van de tafel.
Bleuj
Bleu of blode = verlegen tegenover andere mensen. Piet zal wel nie gauw ’n vrammes krijgen, hij is bar bleuj. Piet zal wel niet gauw een vrouw krijgen, hij is erg verlegen.
Bluuj
Bloedje.
WNT: een klein kind, meestal arm en deerniswaardig. In oude teksten: Siet toch, hoe vriendelijc tbloetgen (een pasgeboren kind) op mij siet of Och dat arm Bloeyken is soo cout.
Daor kom Gaart aon met de bluuj. Daar komt Gerrit aan met zijn kleine kinderen.
Brallen of sjenken
Zeurderig huilen.
WNT: Brielen of Brijlen. In West-Vlaanderen, maar ook elders bekend in den zin van: Zeurig huilen, grienen, drenzen, Sjenken.
Da djenje was de hele tijd aon ’t brallen. Dat meisje was constant aan het grienen.
Broetselen
Koken.
Mins wâ zijde allemaol aon ’t broedselen? Mens wat ben je toch allemaal aan het koken?
WNT: Brutselen, brosselen: brotsen, broetsen, dat in Gelderland gebezigd wordt voor: braden, koken.
Dâ rak oe nie
Daar heb je niets mee te maken
Daauwele
Zit toch nie zo te daauwele’, zee de moeder tegen heur kleene kijnder. Zit toch eens stil zei de moeder tegen haar kleine kinderen.
Onrustig heen en weer bewegen. WNT: Dauwelen: 1. Langzaam of aarzelend te werk gaan, talmen, treuzelen; 2. Knoeien; wriemelen; frommelen.
De retet opgoan
Mijn oudste zuster gaat vaak van huis. Mijn oudste zuster is duk de retet op.
WNT: Mil. betekenis voor de aftocht blazen en in godsdienstige zin: het in retraite gaan in kloosters enz. Op retet = naar de retraite.
Deurmidde
middendoor
Dotsig
Suffig.
Djerkje is ’n bietje een dotsig mins. Dirkje is een beetje een suffig mens.
WNT: Doezen: onz. zw. ww. Van denzelfden stam als Duizelen, maar met een aan Friesche of Saksische dialecten ontleenden stamklinker. 1. Suffen, soezen.
Drallen
De blaage van Gaartje waren zo aon ’t drallen. De kinderen van Gerritje waren zo druk.
Drallen = vervelend of druk zijn.
Afgeleid van ‘dralen’? WNT: In de zin van dralen, doelloos rondlopend.
Drats
koffiedik
Dulpes
Aoike is ech een dulpes van een kjal. Arie is gewoon een grote stommerik.
WNT: Niets gevonden.
MNL: wrs. van dultheit, nietswaardigheid of slechtheid.
Duppert
Die kjal is een echte duppert. Die man is een slome.
WNT: Duppert komt van duppen of doppen, in enkele uitdrukkingen gebruikt in de zin voor ogen. Een duppert is eigenlijk iemand die niet goed uit zijn ogen kijkt.
Ellewaor
Manufacturen. Dit van Wien ut Ingen ging vroeger met ellewaor langs de deur. Dit van Wien uit lngen ging vroeger met manufacturen langs de deur.
WNT: Komt van ellegoed, waar die bij de el wordt verkocht, manufacturen. Een el is de lengte van je elleboog, ca.69 cm. Vroeger per streek verschillend.
Flèr
Een draai om de oren. Hans kreeg dukzat een flèr veur de harses van de bovemister. Hans kreeg heel vaak een klap op zijn hoofd van de bovenmeester.
WNT: Fleer=klap of oorveeg.
Floeperd
Een te wijde onderbroek (ook van schoenen)
Grietje hâ onder de rok een grote floeperd aon. Grietje had onder haar rok een te grote onder-
broek aan.
WNT: Zich schielijk uitschietend bewegen.
Fnaozels
Pluisjes
Af en toe rapte Gaartje wat fnaozels van de kokesmat. Af en toe raapte Gentje wat pluisjes op van
de kokosmat.
WNT: Fnazel. De verhouding tot fazel en vezel is niet duidelijk. Naast fnazel ook fnaas, vnase: Vezel, draadje, pluisje.
Friemels
Djan wa hedde toch wir veur roare friemels. Meisje wat heb je toch weer rare kunsten.
WNT ken dit woord niet. Misschien afgeleid van wriemelen, fijmelen of femelen: beuzelachtig, nutteloos werk doen, futselen, prutsen?
Gasterig
Ranzig spek.
MNL: Garstig: bedorven vlees. ’t Spek was nie lekker mir, ’t is gasterig. Het spek smaakte niet lekker meer, het is bedorven.
Gejoechjach
Bij ons opgeschoten jeugd
WNT: Gejoechjach, znw. onz.; zonder mv., verward geschreeuw, dooreengemengd geroep, inzonderheid als uiting van uitgelaten pret. We gaon de leste jaore nooit mir naor de mart in Heuze, ge zie toch allin mar gejoegjag. We gaan de laatste jaren nooit meer naar de markt in Opheusden, je ziet toch alleen maar (herrie makende) opgeschoten jeugd.
Gekawauwel
Op da feest was het me toch een gekawauwel, ge kon mekaor amper verstaon. Op dat feest werd zo druk door elkaar gepraat, dat je elkaar amper kon verstaan.
WNT: kletsen, babbelen.
Ge kun bèter wa mit de werme haand geeve, dan mit de kaauwe
Je kunt beter iets bij je leven geven, dan wanneer je overleden bent
Gepse’
Heen en weer lopen
Weijnen, Etymologisch Dialectwoordenboek: Aan de haal zijn; haastig lopen. Kjal lop toch nie zo te gepse. Man loopt toch niet zo heen en weer.
Graai
De miste minse gaon in hun goeie graai naor de kerk. De meeste mensen gaan in hun beste kleren naar de kerk.
WNT: Gerei: In algemene zin van gereedschap, ook van kleding: ‘Is zy heel in ’t gerey, so prijst haer nette kleden’
Gribus
Slechte of armoedige woning. Niet direct Betuws dialect, maar wel een voorkomend woord in de Betuwe.
Volgens WNT is de herkomst van het woord onbekend, waarschijnlijk uit het Romaans of Bargoens. Die kjal wônde daor in een echte gribus. Die man woonde daar in een armoedig huis.
Gundert
WNT: bijw. van plaats. Mnd. ginder, ginner, gender, ook gindert en gundert, gunnert. Doar gundert waar vroeger een woonwagekamp. Daar ginds was vroeger een woonwagenkamp.
Gutmodder
Modder of slib uit het afvoerputje
De schoenen van Hannes zaten kas onder de gutmodder. De schoenen van Hannes zaten helemaal onder het slib. Dit is slib dat uit het afvoerputje kwam en in de sloot of een goot liep, dus eigenlijk ‘gootmodder’. WNT geeft voor gut een verbastering voor god.
Haiken
Niet kunnen vinden. Wel bestaat er een woord huik, hoyke, heyke, heuyke, hoike, maar dat heeft de betekenis van lange mantel.
Heisteren
We hebben heel wat moeite moeten doen, om de zware kast van de plaats te krijgen. We hebbe’ heel wâ motte’ heistere, om de zwaore kas van de plek te krijge’.
WNT: drukte, rumoer, rommel, omhaal maken. Waarschijnlijk is dit w.w. een afleiding van het grondwoord van haast en heftig.
Hummes
Die kjal was mar een hummes. Die man was een sul.
WNT: Van Hum, bijvorm van hem; gevormd naar het voorbeeld van woorden als dinges. Alleen in
Van der Hummes, schertsende nabootsing van een geslachtsnaam, gebezigd om iemand aan te duiden, wiens naam ook den toegesprokene bekend is, maar dien men niet noemen wil.
Huuje; gehuuj
Vermanen; achter de vodden zitten
Kjal lop me toch niet zo te huuje. Man zit me toch niet zo achter de broek.
WNT: Opheu(j)en, (vee of mensen) opdrijven, voortdrijven.
Kaaie rijve’
Grind harken
WNT: rijven = harken (bedr. of onz.). Verg. Rijf: in deze bet. tegenwoordig nog gebruikelijk, behalve in Z.-Nederl., in West-Voorne, in het Oosten van de Bommelerwaard, in N.-Brabant en in Groningen. M’n vaoder deej elke zaoterdag de kaaie rijve (v.t.: reef de kaaie). Mijn vader harkte elke zaterdag het grind.
Karbaonus
Die kjal die wônde me toch in een grote karbaonus. Die man woonde in een heel groot huis.
WNT: geen vermelding, maar misschien afgeleid van karbonkel waar WNT, behalve rode edelsteen, als vijfde verklaring geeft een aanduiding voor iets groot in zijn soort.
Karkastig
Die man was vandaag weer zo tegendraads, er was geen rich mee te schieten. Die kjal was vandaag wir zo karkastig, d’r was geen rich mee te schieten.
WNT en MNL: niet te vinden. Wie weet waar het woord van afgeleid is?
Kèèkele
Mnl: Kekelen=kakelen. Minse zit niet deur mekaor te kèèkele, ik kan er niks van verstaon. Mensen zit niet door elkaar te kletsen, ik kan er niets van verstaan.
Klitsbillen
Wâd lopte toch wir te klitsbillen. Wat loop je me toch weer voor de voeten. Het is niet duidelijk waar dit precies van is afgeleid.
WNT geeft voor klits: 1. geluid van een slag of pats. 2. In tal van dialekten gebruikelijk in de afgeleide betekenis van: loszinnige, ontuchtige of manzieke meid of vrouw, of van: vuil, slordig vrouwspersoon 3. Benaming voor de planten van het geslacht Lappa, klissen.
WNT geeft voor billen: 1. achterwerk, beslapen. 2. in de betekenis van bil in bilhamer.
Knoke
Toen ze de appels af hadde, he’k toch nog een kiesje vol bij mekaor geknook. Toen ze klaar waren met appels plukken, heb ik toch nog een kistje bij elkaar gesprokkeld.
WNT: Die geeft geen betekenis die hier enigszins verband mee houdt.
Koolpaole
doelpalen
Krangs
Bartus wier utgelache’ want hij hâ de jas krangs aon. Bartus werd uitgelachen want hij had de jas binnenstebuiten aan.
WNT: Krang, o. a. verwant met Kring: omgedraaid, omgekeerd, verkeerd, achterste voren of binnenste buiten.
Krens(z)ele/Gekrengs(z)el
Onrustig bewegen/onrustige bewegingen. Aorie leej doodziek op bed, mar Klaos z’n zoon kon nie tegen ’t gekrenzel van zijn vaoder en liep bij ’t bed weg.
Van Dale: krenselen of krinsen:
1. De wan (van graan) heen en weer bewegen
2. het lichaam wringen, zich ongedurig heen en weer bewegen.
Kulken
Die pap smâkte heel nie, ik moest’er gewoon van kulke. De pap smaakte helemaal niet, ik moest er zelfs van kokhalzen.
WNT: Waarschijnlijk van klanknabootsenden aard. O.a. te Rotterdam en op de Veluwe bekend.
Kwaajere
Mijn opa pruimde en kwaajerde duk in de kolekit nas de stoel. Mijn opa pruimde en spuugde vaak in de kolenkit naast zijn stoel. Spuugen bij het pruimen van tabak. Geen directe vermelding gevonden. Mogelijk afgeleid van Kwatten (verg. het mnl. te quatte, eigenlijk wel: om weggesmeten te worden, en vandaar: te loor) in den zin van: datgene wat men met een kwak smijt, neersmijt, uitwerpt, in ’t bijzonder: fluim, speeksel.
Leëd
Vrekkig. Da mins was zo leëd, ze kon nog geen snuupske missen. Die vrouw was zo vrekkig, ze kon nog geen snoepje missen.
WNT: Een onaangenamen indruk makende, onaangenaam, verdriet veroorzakende, verdrietig, en derg.
Lempe, (vrouwelijk)
Sloddervos, die achteloos is in haar gang.
Volgens Meertens dialectwoorden. Bij ons in ’t daarp hadde ze ’t duk over Gaartje die dur bijliep as ’n lempe. In ons dorp spraken ze vaak over Gaartje die er als een sloddervos bijliep. NB. Volgens H. v. d. Hatert zou lempes op een lange slungelige man slaan.
Lief beesje
Lief (klein) kind
Die djan ha zo’n lief beesje in de waage’ ligge’ . Die vrouw had zo’n lief baby’tje in de wagen liggen. `Djan’ is niet te vinden in het WNT of het Middelnederlandse woordenboek.
WNT: Nergens een toepassing op kleine kinderen kunnen vinden, wel: het verkl. beestje; wordt dikwijls gebruikt voor een klein dier of een insect, waarvan men den juiste naam niet weet of liever niet zegt.
Marrejauwe
(samentrekking van maarts miauwen).
WNT: loopsche katten heeten krolsch of maartsch. Ge kun zien dâ’t hos mert is, de katte lopen wir om ’t huis te marrejauwe. Het is te merken dat het bijna maart is, de katten lopen weer om het huis krolse geluiden te maken.
Mieter
Ajax het giestere flink op de mieter gehad. Ajax heef gisteren flink verloren.
Mieter is het geheel van botten, spieren en organen waaruit het menselijk lichaam bestaat. Er is nog een tweede betekenis in de zin van het heeft geen mieter opgeleverd. Het heeft niets opgeleverd. De mieter is afkomstig van mieter of mijter een kaasworm (mijt) dus een zeer klein diertje.
Minken
Dat kind trekt van die rare gezichten. Da keind zit zo raor te minken.
WNT: het woord is eigenlijk afkomstig van minkelogen, dat knipogen betekent.
Mojken
Moeilijk doen, prutsen. Kjal lig toch nie te mojken, laot ’t een vakkjal doen. Man doe toch niet zo moeilijk, laat het een vakman doen.
WNT:  komt ook niet voor, wel môjen (uit het mnd.)  dat moeite betekent. Mojken heeft dus wrs. met het woord moeilijk te maken.
Muikig
Vooral in Opheusden, elders mouterig.
WNT: Muiken of meuken is zacht of week maken (van fruit). Ook wel uitbroeien of uitzweten (uitmeuken). ’t Is Vandaag bar muikig weir. Het is vandaag erg broeierig weer.
Naksekontekamp
nudistenkamp
Naoszak/Nôdzak
Een losse zakje met twee lintjes om het middel onder een rok of jurk bevestigd.
Jaon ha wa los geld in de naoszak gestoke om in de kerk in de buil te gooie.
Dit woord wordt niet in Van Dale vermeld. (Kobus zijn opa had het over snorrezak.)
Nitse
Aon die kjal is niks mir aon, hij zit zo vaak te nitsen. Die man is niet meer zo aardig, hij is vaak aan het ruzie zoeken. Nitsen komt wrs. van nijten: 1. Van hoornvee. Met de horens stooten of 2. Van mensen die warrig, lastig zijn.
Onbehoks
Onbehouwen. Die kjal waar zo onbehoks, dâ hij onze kat onderste bove’ liep. Die man was zo onbehouwen dat hij onze kat omver liep.
WNT: Van personen. Ruw, lomp, grof, hetzij in vorm of uiterlijke gedaante, of wel in manieren en gedragingen; ongemanierd.
Opgedroze, opgedroest
Da mins stek nie goed in ’t vel, ze ziet’r vreselijk opgedrooze (of opgedroest) ut. Die vrouw steekt niet goed in haar vel, ze ziet er vreselijk opgezet uit.
WNT: van opdrachtig, opgezet; o.a. in Neder-Betuwe in de woorden opdruischend en opgedruischt.
Parmetaosie
Verwant zijn aan elkaar, tot één familie behoren. Anja van Bruur van Hent van Griet ut Inge zit nog in de parmetaosie van Piet van Dijk. Anja enz. is nog familie van Piet van Dijk.
Het woord is afkomstig van het verouderde woord parentage = familie, verwantschap. Vergelijk ook parenteel.
Persden
Als Henk Verbeek vroeger aon ’t besseplukke waor, dan riepe aandere blage wel is: renne d’r kom un persden aon! Als Henk Verbeek vroeger aan het bessen plukken was, riepen andere kinderen wel eens; rennen er komt een persden aan.
Bedoeld werd een daas die ook wel brems, bremster, daps of paardenvlieg genoemd werd. NB. Dazen kunnen steken en een bacterie veroorzaken.
Poddik
Dikke pap of dik ventje
Volgens Meertens dialectwoorden. Wâ d’n poddik van een kat! Wat een dikke kat! NB. Volgens H. v. d. Hatert zou het op een kat met (seter)etterige ogen slaan.
Reuring
En zee Aorie tege de rijschoolhauwster: hedde nog wel een bietje reuring? En zei Arie tegen
de rijschoolhoudster: loopt het nog wel een beetje?
WNT: reur, in beweging zijn, lopen.
Rooien
Die ouwe minskes kunne ’t nog aordig rooie same. Die oude mensjes kunnen nog best voor
zichzelf zorgen. Waarschijnlijk afgeleid van roeien.
Scharwietselen
Stiekem rondneuzen. Die kjal liep in de schuur te scharwietselen. Die man liep in de schuur (stiekem) rond te neuzen.
Als zodanig niet te vinden in het WNT. Het is vermoedelijk een samentrekking van scharrelen en wietelen (wietelen = heen en weer bewegen).
Schibberig
Rillerig. ‘k Wor’ denk ik ziek, ‘k zij zo schibberig. Ik word denk ik ziek, ik ben zo rillerig.
WNT: daarin niet als zodanig te vinden. Het is misschien afgeleid van schieverig (vlgs. dialectboek  Groothuis). Dit schieverig kan afgeleid zijn van schuiverachtig dat wel in WNT voorkomt  en huiverachtig betekent.
Schiemeren
’t Waor daor zo heet, ’t schiemerde me gewoon veur de ooge . Het was daar zo heet, het zag gewoon zwart voor m’n ogen.
WNT: SCHIEM, znw. vr. Gewestelijk verschillende vorm naast Scheem en schim. Schaduw.
Schievierigheid
De jongens haalden vroeger met oudjaarsnacht allerlei rottigheid uit. De jongens haolden vroeger met oudjaor ’s nachts allerlei schievierighed ut.
WNT: Schavier is een samentrekking van schade en vier, vuur. Groothuis geeft als verklaring dat het afkomstig is van schavuiterigheid.

Schoeks

Niet in WNT.
Die kjal mô nodig aon de heup geopreerd worde, want hij lôp zo schoeks. Die man moet nodig aan zijn heup geopereerd worden, hij loopt vreselijk scheef.
Beuningen: We goan Schoeks Toe. We gaan binnendoor (ofwel de kortste route).
Gennep/Venray: schoeks en schijf (schots en scheef).

Schraiken
Niet kunnen vinden, het is waarschijnlijk afgeleid van schreeuwen of schreien. Een andere betekenis is hard gillen: Wâ kon dâ keind hard schrèèke. Wat kon dat kind hard gillen.
Schrobbelen
De kat had alle plantjes uit de grond geschraapt. De kat hâ al de plantjes ut de grond geschrobbeld.
WNT: Schrapen, grabbelen of broddelen. Een frequentativum van schrobben.
Schuumerd
Die man is maar een raar iemand. Die kjal is mâr een raore schuumerd.
WNT: heeft geen verklaring voor dit woord. Het MNL geeft bij ‘schumer’ als tweede betekenis landloper, straatschender, straatrover. Letterlijk betekend het knecht in een wijnhuis, hij die de wijn van schuim zuivert.
Seteroog
Onze kat hè las’ van seterooge’. Onze kat heeft last van uitslag aan de ogen. In het mnl. komt het woord ceter voor als benaming voor een uitslag aan de huid, o.a. voor dauwworm.
Sjoksen
Kjal lop toch ’s deur, ge lop zo te sjokse. Man loopt toch eens door, je loopt zo te drentelen.
WNT: Moeilijk en slepend, met gebogen knieën lopen.
Smuigerd
Ik vijn die kjal een echte smuigerd. Ik vind die man een echte gluiperd.
WNT: Gluiperd, bedrieger, verrader.
Snaks
Op leuke of koddige wijze grappig. Hannes het op de feestaovend van die snakse verhaoltjes veurgelèze. Hannes heef op de feestavond leuke verhaaltjes voorgelezen.
Het is afkomstig van het woord snaaks, dat leuk of grappig betekent.
Sneiken (snèèken)
Heiltje, ons jonge katje wilde gauw naar buiten glippen. Heiltje, onze jonge kat, wilde gauw naor buite sneike’.
WNT: geeft geen resultaten. Het MNL geeft bij snicken als tweede betekenis voortschuiven, kruipen. Het is verwant met het Duitse schleichen. Vgl. ook het Engelse snake, sneak of sneakers.
Spirtse
Spugen
Mijn opa pruimde en af en toe spirtse hij dan in de kolekit. Mijn opa kauwde pruimtabak en af en toe
spuugde hij dan in de kolekit.
WNT: Spritsen. Ontleend aan hd. spritzen. In sommige dialecten (vooral zuidelijke) en vaktalen (bij schilders): Sprenkelen; (fijnverdeeld) spuiten; spatten.
Spressen
Ik wou de kjal van mij nie spresse nou hij ’t zo druk hè. ik wilde geen beslag leggen op mijn man nu
hij het zo druk heeft.
WNT: van pressen, o.a. personen tot de krijgsdienst dwingen.
Steukere/Gesteuker
Moeizaam of houterig lopen/bewegen. Die kjal liep bar steukerig. Het woord steukeren op zich komt niet in Van Dale voor maar is waarschijnlijk afgeleid van stokkerig dat de volgende verklaring heeft:
op een stok of stokken gelijkend:
1. van personen of lichaamsdelen, zeer stijf, houterig of mager.
2. stijf, niet soepel.
3. van planten of groenten, veel verhouten elementen bevattend.
Het Woordenboek van de Neder/Betuwe geeft als tweede betekenis het met stokken op een slee voortbewegen.
Steukers
afzetstokken bij het sleeën
Stik
Kjal gao aon de kaant, ge stao me in ’t stik. Man ga aan de kant, je sta me in de weg.
Vlak voor me. WNT — In verbindingen als stik in de wind, vlak in de wind.
Stulpere, stolperen
Struikelen
Etymologisch dialectwoordenboek Weijnen.
Pitje hâ zeker weer is teveul op, hij liep zo te stulpere. Pitje had zeker weer een keer teveel gedronken, hij liep zo te struikelen.
Tegestrups
Tegendraads, in de verkeerde richting. Die kjal ree tegestrups op de weg. Die man reed tegen het verkeer in.
WNT: Afgeleid van opstroppen, in de hoogte schuiven.
Tijl
Rij of reeks.
In die bogerd stonde vijf tijle maaikerse. In die boomgaard stonden vijf rijen meikersen. Waarschijnlijk verwant met ndd. tîle; ohd. zîla, mhd. zîle, nhd. zeile. Een voorheen blijkbaar ruim verbreid woord voor: rij, reeks; thans nog in bepaalde toepassingen gebezigd, met name voor een rij (volgens GALLÉE
twintig) korenschooven of hokken die op het land staan, en een korte rij na den bloei ingekuilde bloembollen.
Totolf
Scheldwoord voor een vreemde of rare vrouw, vrijwel synoniem met totebel.
Dâ mins is mar een raore totolf: Die vrouw is maar een vreemd mens.
WNT: Sukkel, malloot, iemand die rare praat uitstoot. Toot is een ander woord voor gezicht.
Truulen
Rollen
Me Paose’ wier vroeger aon eitje truulen gedaon. Met Pasen deed men vroeger aan eitjes rollen.
WNT: Trullen = rollen. Met iets trullen, iets rollend doen gaan of werpen. Het heeft ook nog de betekenis van knoeien, prutsen, klungelen, treuzelen e.d.
Twernen
Zeuren, zaniken, moeilijk  doen. Kjal wâ lid’de toch te twernen:  Man doe toch niet zo moeilijk.
WNT: Het woord komt van ‘tweernen’ en is afkomstig uit de textielindustrie. Twee of meer vezels, draden van zijde, garen e.d. stevig ineendraaien  tot één draad.
Utspelleke
Jannie kwam schruuwend thuis, want Trijntje had heur utgespelkt. Jannie kwam huilend thuis omdat Trijntje haar voor gek had gezet.
MNL: Komt van spellijc wat met grappen en schertsen te maken heeft. Bij ons heeft het echter een negatieve klank gekregen: met kwade opzet rare gezichten naar iemand trekken.
Vèèt
Lidianne gaat echt met de tijd mee, nu heeft ze weer zo’n paarse lok in het haar. Lidianne gaoi ech’ met de tijd mee, nou het ze wir zo’n paorse vèèt in ’t haor.
WNT: geeft voor veet twee betekenissen 1. Streng garen of touw. 2. Bosje haar, haarlok. Nb. in Ochten is dit woord niet bekend.
Verduld
Waar, mee eens zijn. Verduld, daor hedde gelijk in. Dat is waar, daar heb je gelijk in.
WNT: het volt. deelw. van verdulden. Sinds lang verouderd.
1. De eigenschap of het vermogen om lijden, beproeving, pijn, onrecht e.d. met kalme aanvaarding te (kunnen) ondergaan; geduld, lijdzaamheid, gelijkmoedigheid, gelatenheid.
2. Geduld, lankmoedigheid, tolerantie.
Verhabzakt
De boks van Jan was helemaol verhabzakt. De broek van Jan was helemaal uit model geraakt.
WNT: verhab(be)zakken of verab(be)zakken, verhapzakken is ‘slap geworden, uit zijn figuur of model geraakt; verslonsd’.
Verraoze
Gaart hâ wel aarg onrustig geslape, want hij had’t hele bed verraos. Gerrit had wel erg onrustig geslapen, want het hele bed lag door elkaar.
WNT: verrazen Alleen nog in dialect aangetroffen. Ruw behandelen; in de war brengen, door elkaar gooien; verwoesten, vernielen.
Verwèèze
Ontdaan
Hij zag erut as een verwèèze Lowietje. Hij zag er erg ontdaan uit.
WNT: Verwezen= 1. Gerechtelijk veroordeeld, inz. pregnant: ter dood veroordeeld. 2. In vergelijking hiermee: ter aanduiding van ontsteltenis, wezenloosheid, ontdaanheid.
Votselen
Wâ is hij nou weer aon’ ‘t votselen? Wat is hij nou weer aan het prutsen? Ik heb er geen afdoende verklaring voor kunnen vinden. WNT geeft voor vots=slet of vödse=klein, nietig dingetje.
Wa doedde gij mit de moel hier?
Wat kom je vertellen? (NB)
Wèèfele
Afgeleid van weifelen, mnl. =waggelen, maar ook onzeker in zijn overtuigingen. Djan zit nie zo te wèèfele, straks valt dâ kupje om. Meisje zit eens stil, straks valt dat kopje om.
Wètere’
Jan hâ gin tijd, hij moes’ de koeie’ nog wètere’. Jan had geen tijd, hij moest de koeien nog water geven.
WNT: Wètere’ komt van wateren= te drinken geven.
Wie zun geld wil laote schuive, rook tabak en houw duive
Wie zijn geld kwijt wil, rookt tabak en houdt duiven

 

Columns van Pitje

Da hek van heure zegge

 

Columns van Hannes

Erdstraole 
De verlore’ zoon

Adresgegevens

Provincialeweg 21
4032 NZ Ommeren
Tel. (0344) 60 74 31
b.g.g. (06) 10 71 09 90
E-mail: info@hkko.nl

Openingstijden
Van 1 april tot 1 november:

woensdag t/m vrijdag
van 13.00-17.00 uur
zaterdag van 11.00-17.00 uur

Openingstijden
Van 1 november tot 1 april:

woensdag en zaterdag
van 13.00-17.00 uur

Lid worden? Klik hier!